In de wet van Mozes zijn er drie grote jaarlijkse feesten, waarbij alle Joden in Jeruzalem bijeenkomen om offers te brengen in de Tempel. Door de manier waarop dit verteld werd kunnen wij begrijpen dat IEDEREEN dit moest doen, omdat niemand met lege handen kon verschijnen (zie Deuteronomium 16:16-17).
Toen ik deze passage overpeinsde, werden mijn ogen geopend over een thema:
“En het Pascha der Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem. En Hij vond in de tempel de verkopers van runderen en schapen en duiven, en de wisselaars, die daar zaten. En Hij maakte een zweep van touw en dreef allen uit de tempel, de schapen en de runderen; en het geld van de wisselaars wierp Hij op de grond en hun tafels keerde Hij om. En tot de duivenverkopers zeide Hij: Neemt dit alles hier vandaan, maakt het huis mijns Vaders niet tot een verkoophuis. En zijn discipelen herinnerden zich, dat er geschreven is: De ijver voor uw huis zal Mij verteren” (Johannes 2:13-17).






