“Heeft ooit een volk goden verruild? – en dat zijn toch geen goden! – maar mijn volk heeft zijn Eer verruild voor wat geen baat brengt. Ontzet u daarover, o hemelen, huivert en weest ten diepste ontroerd, luidt het woord des Heren, want mijn volk heeft twee boze daden bedreven: Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.” (Jeremia 2:11-13)
God riep het uitspansel, zoals de zon en de sterren, om te getuigen tegen het kwaad dat Hij leed vanwege Zijn eigen volk.






