“Het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een licht opgegaan” (Matteüs 4:16).
Wanneer men het over duisternis heeft, dan heeft men het over onrechtvaardigheid. De mensen leefden in de duisternis en waren vergeten in het donker, de aanwezigheid van de dood was constant in hun levens. Degenen die familieproblemen, financiële problemen, problemen in hun gezondheid of geestelijke problemen hadden, hadden geen mogelijkheid om die op te lossen; het kwaad manifesteerde zich in de lichamen van de mensen en niemand wist wat er gedaan moest worden; zij wisten dat het kwaad werkte, maar wisten zelf niet wat zij moesten doen. Wie een slachtoffer was van een ongerechtigheid moest een keuze maken: of hij zou daaraan moeten blijven lijden of gerechtigheid in eigen handen nemen. De geest van onrechtvaardigheid was aan het winnen.






